Opbarsten treedt op wanneer de waterdruk in de ondergrondse zandlaag zo hoog wordt, dat de deklaag aan de achterzijde van de dijk omhoog wordt gedrukt en scheurt. Om opbarsten te voorkomen moet deze deklaag minimaal vier meter dik zijn, zo staat in de regels van de dijk-APK. Maar is die regel niet te voorzichtig? Om dit te onderzoeken deden Waterschap Drents Overijsselse Delta en Deltares een unieke praktijkproef naar het opdrijven en opbarsten van dijken.  

Bert Koster

Bert Koster, adviseur waterveiligheid bij Waterschap Drents Overijsselse Delta, was als technisch manager nauw betrokken bij de uitvoering van het veldonderzoek. Cor Zwanenburg, onderzoeker bij Deltares, leidde het inhoudelijke onderzoek wat betreft het aspect macrostabiliteit van dijken en de vertaling naar nieuwe beoordelingskennis. Samen werkten zij aan een experiment dat laat zien dat dijken meer aankunnen dan tot nu toe werd aangenomen. 

Twijfel aan de regels 

De beoordeling van waterkeringen gebeurt aan de hand van vaste rekenregels. Eén daarvan is de dikte van de deklaag in het achterland: deze moet minimaal vier meter zijn, om opbarsten en daarmee verzwakking van de dijk te voorkomen. Dijkexperts vermoedden dat dit een heel voorzichtige aanname is. Bert: “Iedereen wist eigenlijk wel: dit is streng, misschien té streng. En die voorzichtigheid heeft grote gevolgen: veel dijken worden afgekeurd op het faalmechanisme opbarsten.” 

“Het idee was: als de deklaag te dun is, dan is deze vatbaar voor opdrijven, en daarmee ook voor opbarsten, oftewel openscheuren”, vult Cor aan. “Maar de praktijk voelde anders. Dan moet je onderzoeken waar dat verschil vandaan komt. Het doel was niet om de norm te versoepelen, maar om beter te onderbouwen wat een deklaag werkelijk kan bijdragen aan de veiligheid van de dijk.” 

Rekenen en modellen testen 

Het onderzoek begon op de tekentafel en in het lab. Cor: “We zijn eerst gaan rekenen: wat verwachten we dat er gebeurt? Daarna hebben we een serie centrifugeproeven gedaan.” In de geocentrifuge bij Deltares konden de onderzoekers schaalmodellen van dijken testen onder verhoogde zwaartekracht. Dat bood inzicht in het mechanisme zelf: waar ontstaan glijvlakken, hoe reageert de deklaag op waterdruk en bij welke belastingen gaat het mis. “Het mooie van zo’n modelproef is dat je letterlijk een doorsnede ziet”, zegt Cor. “Je kijkt door een glazen wand en kunt volgen hoe de deklaag omhoogkomt en verschuift.” Een veldonderzoek moest vervolgens als ultieme toets fungeren: kloppen de modellen en aannames ook in de echte bodem, met alle onzekerheden van dien?  

Een zeldzame kans in het veld 

Een unieke gelegenheid voor veldonderzoek diende zich aan bij Kampen, waar een oude dijk zou verdwijnen vanwege de aanleg van een nieuwe waterkering. In plaats van de dijk direct af te graven, besloten het waterschap en Deltares de locatie te gebruiken voor een full-scale proef. “Zo’n kans krijg je bijna nooit", zegt Bert. “Die móét je benutten.” 

De dijk werd ingericht als proefopstelling. In de ondergrond werden sensoren geplaatst en infiltratiebuizen aangelegd. Via die buizen werd water onder hoge druk ingebracht om extreme hoogwatersituaties na te bootsen. “We wilden precies weten wanneer de bodem omhoogkomt, hoeveel beweging er optreedt en of en wanneer de deklaag het begeeft", legt Cor uit. 

"We moesten echt de grens opzoeken. Alleen dan leer je waar die ligt."

Deklaag drijft, maar scheurt niet 

Het veldonderzoek bestond uit twee sporen: naar het opdrijven en opbarsten van de deklaag en naar de macrostabiliteit van de dijk zelf. Bert: “De aanname is dat zodra een deklaag omhoogkomt door hoge waterspanningen, deze ook snel scheurt en zand mee omhoog neemt. Maar in Kampen gebeurde dat niet. De deklaag kwam omhoog en bleef meer dan een week opgedreven liggen. Er ontstond geen scheur, geen wel, niets. We konden er zelfs overheen lopen.”  

Dat resultaat zet vraagtekens bij de huidige rekenregels. “Opdrijven betekent dus niet automatisch falen”, zegt Cor. “Dat is een belangrijk inzicht voor toekomstige beoordelingen.” 

Bezwijken, met publiek erbij 

Bij de macrostabiliteitsproef ging het om het afschuiven van het binnentalud, doordat waterdruk de grondlagen als het ware ‘smeert’. Om het falen daadwerkelijk uit te lokken, werd de dijk extra belast met zeecontainers gevuld met water. “We moesten echt de grens opzoeken”, zegt Bert. “Alleen dan leer je waar die ligt.” 

Tijdens één van de proeven gebeurde precies dat. “Op het moment dat er een hele groep deskundigen stond te kijken, zakte de dijk in”, vervolgt Bert. “Dat is bijzonder, meestal gebeurt zoiets als er bijna niemand aanwezig is en zie je het alleen terug op de camerabeelden.” Volgens Cor was dit een cruciaal moment: “Dit soort waarnemingen kun je niet uit een model halen. Dit is waarom veldonderzoek zo waardevol is.” 

Kennisland in waterveiligheid 

Het onderzoek naar macrostabiliteit is inmiddels afgerond en heeft een bruikbare handreiking voor de praktijk opgeleverd. De resultaten zijn inmiddels verwerkt in de rekenregels en doorgerekend in een kosten-batenanalyse. Die laat zien dat realistischer rekenen met de aangescherpte regel kan leiden tot forse besparingen. De geschatte opbrengst ligt tussen de 200 en 400 miljoen euro. “Dat zit ‘m niet alleen in geld”, benadrukt Bert. “Het betekent ook minder ingrepen, minder overlast voor bewoners en minder aantasting van het landschap. En Nederland blijft hiermee vooroplopen als kennisland in waterveiligheid.” 

Innovatie die zich terugbetaalt 

Het onderzoek naar het opdrijven en opbarsten bij dijken zal naar verwachting in maart 2026 worden opgeleverd. De komende periode worden de resultaten verder verwerkt en geborgd, zodat ingenieursbureaus en waterschappen ze kunnen toepassen in nieuwe projecten. 

Beide onderzoekers zien het innovatieproject als voorbeeld van hoe praktijk en wetenschap elkaar versterken. Cor sluit af: “Je kunt zeggen: zo’n proef is duur. Maar als je ziet wat het oplevert, dan betaalt het zich dubbel en dwars terug. In geld, in kennis en in betere beslissingen over onze dijken.” 

Bestel het projectenboek